By Kerbert Rent | February 13, 2026 - 1:35 pm - Posted in Duimzuigerij, Nederlands

Voor Warwinkelaren, niet voor Jatmozen en ander gespuis


A

Aboeden (ww.)
Zich voorzorgelijk inpakken tegen naderend klederwank- en strotmalengeweld.
“Aboed u, man! Het knorpt van komme en wegwezen!”

Accuïsme (zn.)
Het geloof dat batterijen bij bosjes goedkoop zijn maar nimmer functioneren.
Zie ook: Dobbeltje.

Amfibische zwemvissen (mv.)
Waterwezens die bij springvloed hun poten zoeken en uw aanrok molesteren.


B

Bargoense fluim (zn.)
Onverstaanbare verkooppraat in oosterse taligheid, doorgaans luid en prijsverlagend.
“Komkommers! Eén zbersibarn!”

Beknibbelde habbekrats (zn.)
Een dusdanig gering bedrag dat men er alsnog trots op is het te hebben uitgespaard.

Builuchten (mv.)
Zwaarbewolkte zwerkgezellen die zich ophopen alvorens klederwanken te ontketenen.

Brikkig zwijn (zn.)
Fiets. Vooral wanneer bereden in noodweer en morele superioriteit.


C

Crypte sayote (zn.)
Groente van dubieuze herkomst die overal en hier en daar tegelijk verkrijgbaar is.


D

Dobbeltje (zn.)
Speculatieve koophandeling waarbij 104 batterijen voor vijf sperziebonen als “risicoloos” gelden.

Drabbig gezeik (zn.)
Hemelwater in neerwaartse agressieve staat; Engels van aard en pijpsgewijs.

Denomatie (zn.)
Prijs die zo luid wordt afgeroepen dat etiketten spontaan emigreren.


E

Ego-ommitering (zn.)
Het verschijnsel waarbij men na een gênant achtervlak-incident in de massa dooft.


F

Foliant verslaan (ww.)
Met tegenzin het weerbericht opdissen wanneer Willie van het weermens onkrank is.


G

Gejooïssant (bn.)
Zodanig smakelijk dat men het eerst beschrijft alvorens het te nuttigen.

Genare schikking (zn.)
Een koopovereenkomst die te mooi is om niet waar te zijn en daarom vermoedelijk is.

Gespeeste aromaten (mv.)
Kruiderij met Latijnse tieren die elke toko draaiende houwt.

Groengarnituur (zn.)
De verzamelde groenwaar waarmee men zich culinair en moreel verheft.


H

Hemelboogwelving (zn.)
De uitgespanselde bovenruimte waaruit het noodweer zich pleegt te wreken.


J

Jatmoos (zn.)
Zo’n roojige slinkse uit Jatmos, ja dáár vanachter de heg bij Warwinkel, waar ze hun centen tellen met andermans vingers.

Een Jatmoos is nie zomaar een buur, nee joh — ’t is een tengelige tomatenenter, een gondelgluiper, een brandstoftankfriemelaar met oorlog in z’n binnenzak. Waar een Warwinkeler z’n platte vinken poetst en z’n groengarnituur eerzaam weegt, daar zit een Jatmoos al te sjorren an den touwen van je zeppelin.

Kenmerken van ’t soort:

  • Sjachert in ’t schemer en noemt dat handel.
  • Saboteert met een smoel alsof ’t per abuis was.
  • Praat krom bargoens dat zelfs de marktkoop roept: “Wat mot je nou, bonussnaak?”
  • Ziet tomaten nie as kost, maar as kruitvat.

Zegge ze in Warwinkel:
“Waar een Jatmoos loop, mot je je ellebogen scherp houden.”

Want let op — ’t begint met een los touwtje.
Dan een beetje gestook in ’t interbellum.
Voor je ’t weet knorpt ’t van de Tomatenoorlog en sta je met je lieslaarzen in ’t rood.

Afgeleiden in den volksbakke:

  • Jatmozerij – achterbaks gedoe met geopolitieke bijsmuk.
  • Jatmozenstreek – klein fratsje, groot gezeik.
  • Jatmoslucht – dat voorgevoel dat je lading niet heelhuids thuiskomt.

Kort en plat:
Een Jatmoos is een buur met oorlog in z’n broodtrommel.

Aju seg.

Jut van het (zn.)
Datgene waar men eigenlijk niet voor kwam, maar toch aantreft.


K

Kelderen (ww.)
Het drastisch laten zakken van een prijs tot onder het redelijke fatsoen.

Klederwanken (mv.)
Horizontale regenaanvallen met sociale ontwrichting.

Kluikelen (ww.)
Met zuinige regelmaat motregenen zonder duidelijke ambitie.

Krep (uitr.)
Algemene uiting van misprijzen jegens weer, mens of markt.


L

Lascief kasseren (ww.)
Zich onzedelijk verheugen in een bewezen winstcijfertje.

Lieslaars-luuks (zn.)
De tijdelijke illusie dat rubber schoeisel u tegen alles beschermen zal.


M

Mesjokke morgenlander (zn.)
Handelaar die vijf kilo tomaten voor twee zbersibarnen wegdoet en u toch het gevoel geeft te verliezen.

Mokkelig geslacht (zn.)
Aantrekkelijk passerend publiek dat men per abuis toucheert.


O

Onkrank (bn.)
Ziekelijk, doch met journalistieke plichtsverzaking als primair symptoom.

Opverklaring (zn.)
Onheilspellende meteorologische aankondiging die nimmer volledig uitkomt.


P

Perikel (zn.)
Risico dat men ostentatief accepteert wanneer de prijs laag genoeg is.

Platte vinken (mv.)
Munten, vooral wanneer zij schaars en benepen zijn.


R

Repugnante regesten (mv.)
Latijnig aandoende boodschappen waarvan niemand weet wat ze zijn, maar die noodzakelijk klinken.


S

Senang nu (uitr.)
Kalmerende zelfinstructie alvorens men weer in klederwank vervalt.

Springvloedmolestatie (zn.)
Waterige overlast met amfibische ambities.

Strotmalen (mv.)
Windvlagen die klinken alsof zij het strottenhoofd van het zwerk vermalen.


T

Talongie (zn.)
Onbestemd doch essentieel product, doorgaans naast de crypte sayote gesitueerd.

Temporarische aard (zn.)
Toestand die zogenaamd tijdelijk is, maar vaak een weekslot beslaat.

Toko draaiende houwen (ww.)
Met tomaten, aromaten en winstcijfertjes het huishouden economisch redden.


V

Vrekkerig zoomweder (zn.)
Weerbeeld waarbij zon en regen elkaar schoorvoetend tolereren.

Vreten bewilligen (ww.)
Zonder taalbegrip instemmen met een koop omdat men toch honger heeft.


W

Warwinkelen (ww.)
Op de Zwarte Markt een dusdanige winst slaan dat zelfs de vorst in de tengels u niet deren kan.

Wisselgeval (zn.)
Meteorologische wispelturigheid die men al kende maar toch betreurt.


Z

Zbersibarn (zn.)
Munteenheid van dubieuze spelling doch onmiskenbare koopkracht.

Zijtzitten (ww.)
Aan de zandstrook verblijven in hoop op zon die temporarisch blijkt.


Slotformule

Dit woordenboek is vastgesteld onder dondervuren, kelderprijzen en met een provenuftig winstcijfertje dat de kassa’s lascief doet blozen.

Aju!

By kornelisoflook | December 18, 2025 - 1:44 pm - Posted in Algemeen, Eindelijk uitgeworteld, Nederlands

Er zijn eigenschappen – of eerder onvermogens – waarvan je pas laat beseft dat ze niet heel normaal zijn, laat staan universeel. Dingen die zo vanzelfsprekend aanvoelen dat je er nooit bij stilstaat dat anderen ze misschien anders ervaren. Of ben jij het juist die het anders ervaart? Pas wanneer gesprekken blijven vastlopen, reacties niet overeenkomen of verwondering steeds van twee kanten komt, begint het te dagen dat jouw beleving niet de norm is. Dat er iets schuurt, al kun je er nog geen naam aan geven.

Zo was dat ook met mijn smaak.

Lange tijd zag ik mijn verhouding tot eten en drinken niet als afwijkend. Hooguit als eigenzinnig. Smaken waren smaken, voorkeuren waren persoonlijk, en ieders beleving verschilde nu eenmaal. Dat de smaak zuur daarbij voor mij geen uitgesproken rol speelde, leek geen reden tot nadenken. Het was er gewoon niet, en wat je nooit mist, vraagt ook niet om uitleg.

Je leest het goed: ik kan geen zuur proeven. Althans, zo is lang mijn overtuiging geweest.

Mijn onvermogen om zuur te proeven is inmiddels te plaatsen onder een bijzondere, zeer zeldzame aandoening: congenitale selectieve ageusie. Dat is een aangeboren vorm van smaakverlies die slechts één specifieke smaak betreft — in mijn geval zuur — terwijl andere smaken normaal worden waargenomen. Voor congenitale selectieve ageusie zijn er geen betrouwbare prevalentiepercentages of wereldwijde aantallen. De conditie is zo zeldzaam dat de wetenschappelijke literatuur nauwelijks consistente data biedt; sommige bronnen melden dat congenitale selectieve ageusie bijna nooit is beschreven. Kortom, het is iets dat je zelden tegenkomt, een zeldzaamheid waarvan je niet eens weet of er anderen zijn zoals jij.

Voor mij maakte dat de ervaring alleen nog opmerkelijker. Zuur bestond simpelweg niet. Niet als smaak, niet als sensatie, niet als ervaring. Het was een begrip dat ik kende uit verhalen van anderen, vergelijkbaar met sneeuw voor iemand die in de woestijn is opgegroeid.

Een smakeloze proef

Lang voordat ik wist dat zuur ooit iets zou zijn wat binnen mijn bereik zou kunnen komen, was er vooral de overtuiging dát het ontbrak. Niet als een plots inzicht, maar als een langzaam groeiende vervreemding. Ik merkte al jong dat mijn reacties op eten, drinken en geuren niet synchroon liepen met die van anderen. Waar mensen hun gezicht vertrokken bij citroenen, augurken of scherpe wijnen, bleef ik onaangedaan of lachte er hooguit om. Vaak was ik juist verbaasd over hun theatrale afkeer. Voor mij waren citroenen niet zuur, maar zoet. Niet bij uitzondering, maar altijd.

Toch bleef het lange tijd bij een vaag gevoel dat er iets niet klopte. Dat veranderde pas op de middelbare school, tijdens een scheikundeles die onbedoeld een kleine identiteitscrisis inluidde. De docent, met een onmiskenbaar talent voor droge aankondigingen, besloot de les te openen met een eenvoudig experiment. Hij draaide de dop van een grote, donkerbruine fles en liet de inhoud zijn werk doen. De klas reageerde vrijwel collectief: pennen vielen, hoofden draaiden weg, handen schoten naar neuzen. Afkeer, ongemak, walging.

Een walging die ik niet deelde.

Terwijl de ruimte zichtbaar van sfeer veranderde, bleef mijn wereld onveranderd. Geen prikkel, geen sensatie, geen reden tot afkeer. Toen de docent het verlossende woord uitsprak en verklaarde dat het om mierenzuur ging, viel langzaam het kwartje. Dit was geen kwestie van smaakvoorkeur of aanstellerij. Hier ontbrak iets fundamenteels. Waar anderen zuur roken en daarmee indirect ook proefden, bleef het voor mij een leeg begrip.

Vanaf dat moment vielen alle volgende ervaringen meteen op hun plaats. De zoete citroen, het onbegrip van anderen, het gevoel altijd net buiten de gezamenlijke smaakervaring te staan. Ik was niet eigenwijs, ongevoelig of stoer. Ik proefde eenvoudigweg geen zuur. En dat besef, hoe klein ook, bleek de eerste stap in een veel groter verhaal.

Niet geleidelijk. Niet subtiel. Maar abrupt en onmiskenbaar.

Wat ik jarenlang als een aangeboren eigenaardigheid had beschouwd, bleek geen vaststaande waarheid. Het was geen defect van de tong, geen ontbrekend stukje hardware, maar iets wat dieper lag. In mijn hoofd. Letterlijk. En dat maakt het verhaal niet eenvoudiger, maar wel veel interessanter.

Wanneer zuur plots wél verschijnt

Decennialang leek mijn ervaring met zuur volledig afgesloten. Totdat een andere factor zich in mijn leven mengde: mijn behandeling voor ADD en autisme. Ik “moest” aan de pillen. De medicatie die ik voorgeschreven kreeg, methylfenidaat en later dexamfetamine, heeft als doel bepaalde neurotransmitters in de hersenen te activeren en verbindingen tussen neuronen te versterken. Het effect op mijn smaakervaring was nooit iets waar ik op had gerekend, maar het was niet te missen.

Onder invloed van deze medicatie proefde ik ineens zuur.

Het voelde alsof ik voor het eerst leerde lopen: onzeker, nieuw, maar tegelijkertijd vol verwondering. Mijn tong tintelde, bijna jeukend, bij iedere hap of slok van iets zuurs, alsof hij wakker werd en moest wennen aan de sensatie. Alles wat ik ooit over zuur had gelezen of gehoord, werd plotseling tastbaar. En iets eenvoudigs als blauwe bessen bracht me totaal van mijn stuk: hoe kon iets zo klein, zo vertrouwd en ogenschijnlijk zoet, zo ongelooflijk zuur zijn? Het verbaasde me tot in mijn diepste vezels. Ook yoghurt leek in niets meer op hoe ik het altijd heb gegeten voordat ik wist was zuur was.

Het was alsof een deur die altijd op een kier had gestaan, eindelijk wijd openging. Mijn hersenen konden het signaal van mijn smaakpapillen ineens volledig verwerken. Iets wat decennialang afwezig leek, was plotseling aanwezig, levendig en onmiskenbaar.

Met terugwerkende kracht kreeg de scheikundeles een nieuwe dimensie. Het besef dat ik zuur niet proefde, lag niet aan een kapotte tong of ontbrekende receptoren. Het lag in mijn hersenen, in de manier waarop signalen werden verwerkt. Dat maakte alles niet eenvoudiger, maar wel fascinerender: mijn wereld van smaken was nooit volledig afwezig geweest, slechts tijdelijk ontoegankelijk.

Het is een bijzonder besef: iets wat decennialang onmogelijk leek, kan plotseling bestaan, afhankelijk van hoe de hersenen geactiveerd worden. Het verandert niet alleen de ervaring zelf, maar ook de manier waarop je terugkijkt op je eigen verleden. Citroenen zijn niet langer alleen zoet. Ze hebben karakter en een scherpte waarvan ik “zure gezichten” nu eindelijk begrijp.

Het laat me nadenken over zintuigen, over perceptie, over hoeveel van onze waarneming niet vastligt, maar afhankelijk is van omstandigheden en context. En het laat me waarderen dat zelfs iets zo alledaags als zuur, iets wat velen vanzelfsprekend ervaren, een wonderlijke ontdekking kan zijn als het plotseling in je wereld verschijnt.

De zure appel

Met terugwerkende kracht krijgt mijn oude verwondering over citroenen, zurige wijn en ‘frisse’ geuren een andere lading. Ik dacht dat ik een smaak miste. In werkelijkheid miste ik toegang. Dat is een wezenlijk verschil. Het verklaart waarom ik zuur altijd als zoet heb ervaren, waarom er nooit een wrang randje aan zat, geen samentrekking, geen lichamelijke reactie. De bouwstenen waren er wel, maar de eindmontage werd nooit uitgevoerd.

Tot nu.

Dat roept nieuwe vragen op. Over erfelijkheid, over neurodiversiteit, over hoeveel van onze waarneming niet vastligt, maar afhankelijk is van omstandigheden, activatie en context. Het idee dat een zintuig niet aan of uit staat, maar gradueel toegankelijk is, maakt het lichaam minder mechanisch en tegelijk kwetsbaarder dan ik altijd dacht.

Misschien is dat wel de kern. Zuur is de smaak die niet vleit, die niet verzacht, maar wakker maakt. Het corrigeert, het snijdt door zoetheid heen, het dwingt tot aandacht. Geen smaak om gedachteloos te consumeren. En misschien geldt dat ook voor alles wat we zuur noemen in het leven. Het zijn de momenten die wringen, die je gezicht doen vertrekken, die je liever overslaat, maar die achteraf wel scherp aftekenen.

Mijn tong was niet kapot. Hij was gewoon jarenlang stil. En nu hij zich laat horen, blijkt zuur niet iets om te vermijden, maar iets om serieus te nemen. Niet alles hoeft zoet te zijn. Sommige dingen moeten even bijten voordat ze begrepen worden.

Net zoals het vandaag morgen gisteren is.
… en morgen vandaag gisteren …
… en gisteren morgen vandaag …
… en vandaag gisteren morgen …

By rinaoddel | September 19, 2024 - 3:46 pm - Posted in Algemeen, Duimzuigerij, Nederlands

(Een liedje van Lola, Tess en Monica)

Nanana nana nanana  
Nanana nana nanana  
(yeah-oh-yeah)  
Vannacht was spannend  
Je krijgt van mij een flinke streep (oh-hoh)  
‘k Ging voor de buit  
Daarna zie ik wel wat er ontsteekt (eh-heh)  
En nu de ochtend komt  
Lig jij daar in je vrees  
Als je straks wakker wordt  
Blijf ik nog even in de weer  
Je krijgt het benauwd  
Want de kans is groot  
Dat ik neem wat ik wil van jou  
Zak op zak, we doen’t nou  
Steek de dievenmoord, geef je schat maar bloot  
Delen we de roofbuit weer  
Of wordt dit de laatste keer  
Voor jou… oooh  

‘k Geef me gewonnen  
Je was de beste in je soort (Hmm-hmm)  
Volgende ronde  
Waarin jij weer je sporen verstoort (Yeah-heh)  
We liggen uitgeput  
In een chaos van elkaar  
Ik vind je stiekem slim  
Maar jij bent nog lang niet klaar  
Je krijgt het benauwd  
Want de kans is groot  
Dat ik neem wat ik wil van jou  
Zak op zak, we doen’t nou  
Steek de dievenmoord, geef je schat maar bloot  
Delen we de roofbuit weer  
Of wordt dit de laatste keer  
Voor jou… oooh  

Steek de dievenmoord  
Steek de dievenmoord  
Steek de dievenmoord: Yeah oh baby  
Steek de dievenmoord: Geef je nu bloot  
Steek de dievenmoord: Hiyeah hiyeah o baby  
Steek de dievenmoord: Delen we de roofbuit weer  
Steek de dievenmoord: Jahaha hahajahaha  
Steek de dievenmoord: Jahaha hahahahahaha  
Je krijgt het benauwd  
Want de kans is groot  
Dat ik neem wat ik wil van jou  
Zak op zak, we doen’t nou  
Steek de dievenmoord, geef je schat maar bloot  
Delen we de roofbuit weer  
Of wordt dit de laatste keer  
(Voor jou… oooh)  
Je krijgt het benauwd  
Want de kans is groot  
Dat ik neem wat ik wil van jou (Nanana nana)  
Zak op zak, we doen’t nou  
Steek de dievenmoord, geef je schat maar bloot  
Delen we de roofbuit weer  
Of wordt dit de laatste keer  
(Voor jou… oooh)  
Nanana nana nanana: Wat ik wil van jou… oooh  
Nanana nana nanana: Wat ik wil van jou… oooh  
Nanana nana nanana: Jahaha hahahaaaah

By rinaoddel | July 1, 2024 - 2:33 pm - Posted in Algemeen, Nederlands

Tijdens een openlucht vergadering in het hart van Smurfenland staat Smurfin op een verhoogd platform, omringd door kleurrijke paddenstoelen en nieuwsgierige Smurfen. Grote Smurf staat op de achtergrond, nog norser dan Moppersmurf, met zijn armen over elkaar. Een ooievaar cirkelt boven het publiek en een paar konijnen springen nerveus in het rond. Johan en Pirrewiet staan naast het platform in opperste paraatheid, klaar om alles te volgen. De politieke partijen de Paddenstoelenpartij, de Ooievaarsalliantie, en de Konijnenkoalitie zijn vertegenwoordigd in de menigte.
“Smurfjes, smurfjes, verzamelt u!” begint Smurfin ernstig. “Vandaag willen we het hebben over twee zeer belangrijke kwesties: genderdiversismurf onder werkende Smurfen en de dictatuur van Grote Smurf waar we momenteel onder smurfen. Maar eerst, laten we onze politieke partijen verwelkomen: de Paddenstoelenpartij, de Ooievaarsalliantie en de Konijnenkoalitie!”
Moppersmurf mompelt: “Ik haat politiek!” Het publiek lacht zachtjes.
Smurfin vervolgt: “Allereerst, genderdiversismurft. We weten allemaal dat Smurfenland een prachtige plek is, vol met kleurrijke paddenstoelen, kwakende kikkers en fladderende vlinders. Maar, we moeten erkennen dat niet elke Smurf dezelfde kansen krijgt. Hoe kunnen we een gelukkig dorp zijn als niet iedere Smurf dezelfde smurfelijke kansen heeft?”
“Smurfin, wat stel je voor om dit te veranderen?” vraagt Brilsmurf, de partijleider van de Ooievaarsalliantie. “Want zeg nou zelf, wanneer je kijkt naar een voorkomend Smurf zoals ikzelf dan mag het duidelijk zijn dat de kansen voor iedere Smurf…”
“Heel simpel, Brilsmurf!” onderbreekt Smurfin hem. “We moeten ervoor zorgen dat elke Smurf, of ze nu mannelijk of vrouwelijk zijn, dezelfde kansen krijgt om hun talenten te gebruiken. Stel je voor, een wereld waarin een Smurfin niet alleen voor seks, koken en schoonmaken verantwoordelijk is, maar ook Smurfen kan leiden in de wetenschap, de landbouw of zelfs de strijd tegen Gargamel!” Het publiek klapt en juicht instemmend.
Smulsmurf, de partijleider van de Paddenstoelenpartij, vraagt: “En hoe zit het dan met de paddoproductie? Iedereen weet dat mijn paddenstoelen het beste smaken! En al helemaal als ik daar een lekkere taart mee kan bakken. Oh, ik heb nu al trek!”
“Ja, maar zonder onze konijnen zouden we niet eens weten waar de beste paddenstoelen groeien!” zegt Boerensmurf, de partijleider van de Konijnenkoalitie.
“Haha, misschien moeten we op paddo’s getraind speurkonijnen gaan fokken!” grapt Lolsmurf, waarna het publiek lacht.
Klungelsmurf voegt eraan toe: “Eh, nou, ik… euh… ik ben het met Smurfin eens, we moeten samen smurfen om te smurfen dat we ons beter kunnen smurfen in het… Oh nee, wat wilde ik nou smurfen? Ik weet het niet meer!” Het publiek lacht nog harder.
“Zolang ik maar mijn dutjes kan blijven doen, vind ik alles smurf,” geeuwt Luilaksmurf.
Knutselsmurf merkt op: “We hebben meer diversismurfnodig in onze werkplaatsen, nieuwe ideeën en perspectieven maken ons sterker.”
Potige zegt: “En meer sterke Smurfen voor de verdediging tegen Gargamel!”
“Vergeet niet, diversismurf betekent ook dat we creatiever en innovatiever kunnen zijn, en bovendien, wie zou niet willen kijken naar een knappe Smurf zoals ik?” voegt Hippesmurf toe.
Smurfin kijkt Hippe ongemakkelijk aan en knikt ten slotte instemmend: “Precies, en dan nu de dictatoriale houding van Grote Smurf. Kijk, we respecteren Grote Smurf allemaal, maar het is duidelijk dat hij de touwtjes tegenwoordig te strak in handen houdt. Smurfenland zou een plek moeten zijn waar elke Smurf een stem heeft, niet alleen degene met de grootste baard!” Het publiek klapt en roept “Vrijheid! Vrijheid!”
Grote Smurf komt uit de schaduw naar voren en zucht: “Jij wilt gewoon de macht overnemen, Smurfin. Genderdiversismurf mijn baard! Ik wil ook een beter Smurfenland voor iedereen en daarin is er geen plek voor een blauwe slet met een grote bek.” Uit het publiek is luid boegeroep te horen in de richting van Grote Smurf.
Grote Smurf kijkt arrogant om zich heen en glimlacht duivelachtig. “Vergeet niet, Smurfen, dat Smurfen uit Smurfen voorkomen en niet uit Smurfinnen. Ik heb jullie geschapen en ik kan Smurfen ook zo weer vernietigen! Soms zijn er offers nodig voor de orde.” Hij haalt een oude, magische staf tevoorschijn. “Democratie kan chaos brengen, en chaos… daar is Gargamel dol op. Dus laten we een einde maken aan die blauwe bitch!”
Smurfin is geschrokken: “Grote Smurf, wat doet u nu?”
“Alleen ik kan jullie beschermen tegen Gargamel. Laat dit een waarschuwing zijn: volg me, of Smurfenland zal lijden,” schreeuwt Grote Smurf naar het publiek.
“We zullen niet buigen voor angst. Smurfen, verenigt u! We moeten vechten voor onze vrijheid, voor gendergelijkheid en voor een democratisch Smurfenland!” roept Smurfin vastberaden.
Dit maakt Grote Smurf woedend: “Dit is allemaal jouw schuld, Smurfin! Sinds jij je met politiek bemoeit, is Smurfenland nooit meer hetzelfde geweest.”
Misschien is dat omdat jij je als een dictator gedraagt, Grote Smurf! Smurfenland verdient beter!” zegt Smurfin furieus.
Grote Smurft duikt bovenop Smurfin. Er breekt een fysieke ruzie uit tussen Smurfin en Grote Smurf. Johan en Pirrewiet springen ertussen om hen uit elkaar te halen. Plotseling verschijnt Gargamel op het toneel, met een meesmuilende glimlach en Azraël aan zijn zijde. “Ah, kijk eens aan, mijn kleine blauwe vrienden. Jullie politieke debatten zijn precies zoals ik had gehoopt.” Hij houdt een flesje met een borrelende vloeistof omhoog. “Mijn Politieke Debatten Drankje werkt perfect!”
Smurfen van de verschillende partijen beginnen plotseling te ruziën en vechten met elkaar. Gargamel en Azraël kijken tevreden toe. Johan roept: “Dit moeten we stoppen!” terwijl hij tussen de Smurfen probeert te komen.
Pirrewiet roept: “Smurfin, Grote Smurf, jullie moeten dit stoppen!”
Grote Smurf en Smurfin worden uit elkaar gehaald door Johan en Pirrewiet, terwijl Gargamel grijzend toekijkt. “Wat een prachtig schouwspel. Verdeeldheid maakt het zoveel makkelijker voor mij om jullie allemaal te vangen!” roept Gargamel.
Het publiek raakt in paniek, de sfeer is grimmig. Smurfin roept boven de chaos uit: “Smurfen, dit is niet wie we zijn! We moeten samensmurfen, nu meer dan ooit!”
Grote Smurf roept boos: “Dit is allemaal jouw schuld, Smurfin!”

Gargamel pakt een grote zak tevoorschijn en grist in één keer alle Smurfen bij elkaar. Tevreden verdwijnt hij met de Smurfen op zijn rug en Azraël in zijn kielzog huiswaarts.

La la la la la, la la la la laaaa….

By rinaoddel | April 19, 2024 - 5:11 pm - Posted in Duimzuigerij, Nederlands

De kaarten van de stad Gohes City heb ik met de grootste zorg bestudeerd, maar ik heb de Boonenstraat nooit meer kunnen terugvinden. Kaarten verouderen snel in een stad als deze, waar straatnamen een eigen leven leiden. Ik heb diep gegraven in de archieven van onze stad, elk hoekje persoonlijk verkend, elk mogelijk spoor gevolgd dat zou kunnen leiden naar de straat die ik me herinnerde als de Boonenstraat. Maar ondanks al mijn inspanningen, moest ik tot mijn frustratie toegeven dat ik het huis, de straat en zelfs de hele buurt niet kon terugvinden waar ik als arme kunstgeschiedenisstudent het akelige gekras van Schubert Etser heb aangehoord.
Het verbaasde me niet dat mijn geheugen in de war was; mijn gezondheid, zowel fysiek als mentaal, was ernstig verstoord geraakt gedurende mijn verblijf in de Boonenstraat. Het feit dat ik de straat niet meer kon vinden, was zowel intrigerend als verwarrend; het lag op slechts een half uur lopen van de Maten van Willekeur, de lokale stamkroeg van Gohes City, en was doordrenkt met vreemde eigenaardigheden die onmogelijk te vergeten waren voor wie er ooit was geweest. Toch heb ik nadien nimmer iemand ontmoet die ook maar een glimp had opgevangen van de Boonenstraat.

De Boonenstraat strekte zich uit aan de overkant van een sombere rivier, geflankeerd door ruige bakstenen pakhuizen met mistige ramen en overspannen door een massieve brug van donker steen. Altijd gehuld in duisternis langs die rivier, alsof de rook van nabijgelegen fabrieken voortdurend de zon blokkeerde. De rivier was doordrenkt met een mengsel van onaangename geuren die uniek waren en mij altijd zouden kunnen helpen het terug te vinden, omdat ik ze meteen zou herkennen. Voorbij de brug kronkelden smalle geplaveide straatjes met tramrails, die verderop eindigden en leidden naar de steile beklimming van de Boonenstraat. De helling begon geleidelijk, maar werd al snel ongenaakbaar steil toen ik de Boonenstraat naderde.
Nooit heb ik zo’n smalle en steile straat gezien als de Boonenstraat. Het leek wel alsof het recht uit een ravijn omhoog rees. Deze straat was verboden terrein voor voertuigen en bestond grotendeels uit trappen, die uitkwamen op een smal steegje met hoge muren begroeid met klimoppen die zich ver boven ons uitstrekten. De bestrating was een rommeltje, soms alleen maar modderige stenen platen, soms kasseien, en soms gewoon kale aarde met kronkelende planten waar een groenige damp uit opsteeg. De huizen torenden hoog boven alles uit, puntig en oud als de tijd zelf. Ze leunden naar voren, naar achteren, sommige zelfs zijwaarts, alsof ze op het punt stonden elkaar te omhelzen en het licht ver beneden hen leken te verstikken. Tussen sommige huizen hingen bruggen hoog boven de straat, als touwbruggen tussen bergtoppen.

De bewoners van die straat maakten een duistere indruk op me. Aanvankelijk dacht ik dat het kwam door hun zwijgzaamheid en ingetogenheid, maar later drong het tot me door dat het kwam omdat ze allemaal stokoud waren, doorleefd en verweerd als oude rotsen. Hoe ik in die straat ben beland, blijft me nog steeds een raadsel, maar ik was mezelf niet toen ik erheen verhuisde. Als student in Gohes City was het altijd een strijd geweest om een dak boven mijn hoofd te vinden. Ik had op talloze troosteloze plekken gewoond en me meer dan eens verloren gevoeld, verstrikt in geldzorgen en een rondzwervend bestaan, totdat ik uiteindelijk dat krakkemikkige huis ontdekte in de Boonenstraat, beheerd door de lamme conciërge Bramus Smijtstra. Het was het derde huis vanaf de bovenkant van de straat, maar stak hoog boven de rest uit als een donkere toren.
Mijn kamer bevond zich op de vijfde verdieping; de enige bezette kamer daar, aangezien het huis bijna verlaten was. Op de nacht van mijn aankomst hoorde ik vreemd geschraap vanuit de spitse zolder erboven. De volgende dag vroeg ik de oude Smijtstra ernaar. Hij vertelde me over een nog veel oudere Germaanse tekenaar die helemaal in de nok woonde, een eigenaardige doofstomme man die zijn werken signeerde met de naam: Schubert Etser. ‘s Avonds verkocht hij zijn kunst in een schimmige expositieruimte, waar hij ook geregeld te vinden was in de gelagkamer. Smijtstra voegde eraan toe dat Etser de neiging had om vooral ‘s nachts te tekenen na zijn terugkeer van de expositieruimte, wat de reden was waarom hij deze afgelegen zolderkamer had gekozen. Het enige puntgevelraam van de kamer bood uitzicht op de straat, waar hij langs de helling over een hoge muur kon kijken naar het uitgestrekte panorama daarbuiten.

Daarna luisterde ik elke avond naar Etser, en hoewel zijn geluiden me wakker hielden, werd ik achtervolgd door het vreemde ritme van zijn tekeningen. Hoewel ik weinig wist van kunst, was ik er zeker van dat zijn gekras niets gemeen had met de kunstwerken die ik kende. Welke kunstenaar maakt er zo’n grimmig lawaai tijdens het schetsen? Ik concludeerde dat hij een kunstenaar moest zijn met een zeer unieke stijl. Naarmate ik langer luisterde, werd ik steeds meer gefascineerd, tot ik na een week besloot om de oude man te ontmoeten.
Op een avond, na zijn dagelijkse omzwervingen, kwam ik Etser tegen in de gang en vertelde hem dat ik hem wilde leren kennen en bij hem wilde zijn als hij ging tekenen. Hij was een kleine, magere, gebogen figuur, gehuld in versleten kleding, met blauwe ogen, een grotesk, duivelsachtig gezicht en bijna kaal hoofd. En bij mijn eerste woorden leek hij zowel boos als bang. Maar mijn overduidelijke vriendelijkheid wist uiteindelijk zijn verdediging te doorbreken. Hij wenkte mij daarom met tegenzin om hem te volgen de donkere, doorbuigende en krakende zoldertrap op. Zijn kamer, een van de slechts twee in de steil hellende zolder, was aan de westkant, gelegen aan de hoge muur die het boveneinde van de straat vormde. Zijn kamer, een van de slechts twee op de steil hellende zolder, bevond zich aan de westkant, tegenover de hoge muur die het einde van de straat markeerde. De ruimte van zijn atelier was enorm. Het leek nog groter door de extreme rommel van kunstwerken en creaties… en verwaarlozing. Er waren nauwelijks meubels: een smal ijzeren bed, een vuile, gebarsten wastafel, een paar smerige kleine tafeltjes, een grote kast vol met verschillende soorten papier, een ijzeren tekentafel en drie ouderwetse stoelen. Kunstwerken en mappen met krabbels lagen slordig op de vloer gestapeld. Een overvloed aan stof en spinnenwebben gaf de plaats meer het uiterlijk van een verlaten schuilplaats dan van een bewoond vertrek. Schubert Etsers wereld van schoonheid leek te liggen in een verre kosmos van verbeelding. Hoewel dit ongetwijfeld betwistbaar was vanuit Etsers perspectief.
Nadat hij me had gewenkt om te gaan zitten, sloot de stomme man de deur, draaide de grote houten klink om en stak een kaars aan om de ene die hij had meegebracht te versterken. Nu haalde hij zijn potloden uit zijn van lood vergeven doekrol en nam één potlood in de hand. Hij ging zitten in een stoel die me het minst ongemakkelijke van allen leek. Zijn tekentafel gebruikte hij niet en hij bood mij geen keuze dan zelf maar te kiezen waar hoe ik het mij gemakkelijk zou maken. Hij tekende alles uit het hoofd en betoverde me meer dan een uur met potloodgekras zoals ik dit nooit eerder had gezien of gehoord. De exacte aard van zijn lijnenwerk is onmogelijk te beschrijven voor iemand die onbekend is met de tekenkunst. Het was een soort schetsen met herhaalde lijnen van de meest betoverende kwaliteit, maar voor mij opvallend door het ontbreken van een van de kenmerkende potloodstreken die ik op andere kunstenaars vaak zag doen.
Het aaneenschakelen van lijnen boeide me mateloos. Ik probeerde ze in mijn hoofd na te bootsen, maar al snel raakte ik verstrikt in mijn eigen beperkte verbeelding. Dus toen de tekenaar eindelijk zijn potlood neerlegde, vroeg ik hem of hij op een rustiger tempo nog iets voor me wilde schetsen. Toen ik mijn verzoek deed, veranderde het gerimpelde, duivelse gezicht van de tekenaar van de verveling die het tijdens het tekenen had getoond, naar een curieuze mengeling van woede en angst, net zoals ik had opgemerkt toen ik de oude man voor het eerst aansprak. Voor een moment overwoog ik om hem te overreden, terwijl ik de grillen van ouderdom met lichte spot benaderde; ik probeerde zelfs zijn eigenaardige stemming op te wekken door met mijn handen een denkbeeldige tekening in de lucht te maken. Maar dit pad volgde ik slechts een moment; want toen de zwijgende kunstenaar iets herkende in mijn onhandige bewegingen, veranderde zijn gezicht plotseling in een uitdrukking die buiten elke analyse viel. Zijn lange, koude, benige rechterhand reikte uit om mijn mond te bedekken en mijn grove nabootsing tot zwijgen te brengen. Terwijl hij dat deed, wierp hij een angstige blik naar het eenzame gordijnraam, alsof hij bang was voor een indringer – een blik die des te absurder leek, gezien de zolder hoog en ontoegankelijk was boven alle aangrenzende daken, en dit raam het enige punt aan de steile straat was, zoals de conciërge me had verteld, van waaruit men over de muur aan de top kon kijken.

De blik van de oude man bracht Smijtstra’s opmerking in mijn gedachten, en met een vurige impuls voelde ik de drang om uit te kijken over het uitgestrekte, bijzondere panorama van maanverlichte daken en stadslichten voorbij de heuveltop, waar alleen deze norse kunstenaar in de Boonenstraat het uitzicht op had. Ik begaf me naar het raam en wilde de onbetekenende gordijnen opzij schuiven, maar toen nam de woede van de stomme zelfs toe en kwam de zwijgende Germaan weer op me af; dit keer knikkend naar de deur en nerveus proberend me daar naartoe te leiden met beide handen. Nu volledig afkerig van mijn gastheer, beval ik hem me los te laten en zei dat ik onmiddellijk zou vertrekken. Zijn greep verslapte en toen hij mijn afkeuring en belediging zag, leek zijn eigen woede af te zwakken. Hij liet me los, maar dit keer op een vriendelijke manier; hij duwde me in een stoel en liep met een blik van weemoed naar de rommelige tafel, waar hij in het moeilijke Gohesiaans van een buitenlander veel woorden opschreef met een potlood.
De boodschap die hij me uiteindelijk gaf, was een smeekbede om begrip en vergeving. Etser vertelde me dat hij oud was, eenzaam en leed aan vreemde angsten en zenuwaandoeningen die verband hielden met zijn kunst en andere aspecten van zijn leven. Hij waardeerde mijn bewondering voor zijn werken en hoopte dat ik weer zou komen en zijn eigenaardigheden zou accepteren. Echter, hij kon het niet verdragen om anderen zijn kunst te laten zien, noch kon hij het verdragen om naar kunst van anderen te kijken. Ook kon hij niet verdragen dat iemand anders iets in zijn kamer zou aanraken. Hij was zich niet bewust van het feit dat ik zijn beklemmende gekras vanuit mijn kamer kon horen. Tijdens ons gesprek in de gang vroeg hij me of ik met Smijtstra kon regelen om een andere kamer te krijgen waar ik hem ‘s nachts niet zou kunnen horen. Hij bood aan het verschil in huur te betalen.

Terwijl ik zijn cryptische Gohesiaanse taaltje probeerde te ontcijferen, voelde ik me milder tegenover de oude man. Hij was een slachtoffer van fysiek ongemak en zenuwlijden. Mijn studies in kunstgeschiedenis hadden me geleerd om vriendelijkheid te tonen. In de stilte klonk een licht geluid van het raam – het luik moet gerammeld hebben in de nachtwind – en om een of andere reden schrok ik bijna net zo hevig als Schubert Etser. Dus toen ik klaar was met lezen, schudde ik mijn gastheer de hand en vertrok ik als een vriend. De volgende dag gaf Smijtstra me een duurdere kamer op de derde verdieping, tussen de appartementen van mijn oude geldschieter en de kamer van een respectabele stoffeerder. Er was niemand op de vierde verdieping.
Het duurde niet lang voordat ik besefte dat Etser’s verlangen naar mijn gezelschap niet zo oprecht was als het leek toen hij me overhaalde om de vijfde verdieping te verlaten. Hij nodigde me niet uit om langs te komen, en als ik dat toch deed, leek hij ongemakkelijk en tekende hij zonder passie. Dit gebeurde altijd ‘s nachts – overdag sliep hij en liet hij niemand binnen. Mijn genegenheid voor hem nam niet toe, hoewel zijn atelier en zijn vreemde kunstwerken een mysterieuze aantrekkingskracht op me uitoefenden. Ik voelde een onweerstaanbaar verlangen om uit dat raam te kijken, over de muur heen, naar beneden naar de glinsterende daken en torens die daar moesten liggen. Op een keer ging ik naar de zolder tijdens de nachtelijke uren, toen Etser afwezig was, maar de deur was vergrendeld.
Wat me wel lukte, was het afluisteren van het nachtelijke tekenen van de stomme oude man. Eerst sloop ik naar de vermaarde vijfde verdieping, toen werd ik moedig genoeg om de laatste krakende trap naar de puntige zolder op te klimmen. Daar, in de smalle gang, buiten de vergrendelde deur met het afgedekte sleutelgat, hoorde ik vaak geluiden die me vervulden met een ondefinieerbare angst – de angst voor vage verwondering en broedende mysterie. Het was niet eens alleen dat het gekras afschuwelijk was, want dat was het zeker; maar ze droegen trillingen in zich die met niets op deze aardbol te vergelijken vielen. Op bepaalde momenten namen ze symfonische kwaliteiten aan die ik nauwelijks kon voorstellen als geproduceerd door één kunstenaar. Zeker, Schubert Etser was een genie van wilde kracht. Zijn voorstellingen kenden geen gelijke. Naarmate de weken verstreken, werd de storm van krassen wilder, terwijl de oude Germaan een steeds toenemende verfromfaaidheid en heimelijkheid verwierf, die te betreuren waren om te zien. Hij weigerde me nu op elk moment toe te laten, en ontweek me wanneer we elkaar op de trappen ook ontmoetten.
Toen op een nacht, terwijl ik bij de deur luisterde, zwol het ergerlijke, snijdend piepen van zijn potlood aan tot een chaotisch knarsen van geluid; een pandemonium dat me zou hebben doen twijfelen aan mijn eigen geestelijke gezondheid als er niet van achter die afgesloten deur een hartverscheurend bewijs was gekomen dat de horror echt was. Een vreselijke, onarticuleerbare kreet was hoorbaar, die alleen een stomme kan uiten, één die alleen oprijst in momenten van de meest vreselijke angst of ellende. Ik klopte herhaaldelijk op de deur, maar kreeg geen reactie. Daarna wachtte ik in de zwarte gang, bevend van kou en angst, tot ik het zwakke, zwakke geluid van de arme tekenaar hoorde toen hij met behulp van een stoel van de vloer probeerde op te staan. In de veronderstelling dat hij net bewusteloos was na een flauwvallen, klopte ik opnieuw, tegelijkertijd mijn naam geruststellend roepend. Ik hoorde Etser naar het raam strompelen en zowel luik als raam sluiten. Vervolgens strompelde hij naar de deur, die hij aarzelend opende om me binnen te laten. Dit keer was zijn vreugde om mij te zien oprecht, want zijn misvormde gezicht straalde van opluchting terwijl hij naar mijn jas greep als een kind naar zijn moeders rokken.
Met pathetische schokken duwde de oude man me in een stoel, terwijl hij zelf in een andere neerzonk, naast welke zijn papieren en potlood achteloos op de vloer lagen. Hij zat daar een tijdje stil, snikkend op een vreemde manier, met een paradoxale mix van intense en angstige aandacht. Later leek hij tevreden te zijn en verplaatste hij zich naar een stoel bij de tafel. Daar schreef hij snel en onophoudelijk een kort briefje, overhandigde het aan mij en keerde vervolgens terug naar de tafel, waar hij begon te schrijven met een koortsachtige intensiteit. Het briefje smeekte me om te wachten op de plek waar ik was, in naam van genade en uit nieuwsgierigheid, terwijl hij een uitgebreid verslag in het Gohesiaans voorbereidde van alle wonderen en verschrikkingen die hem omringden. Ik wachtte, en het potlood voerde zijn werk uit, alsof het niet de oude man was die schreef, maar alsof het potlood de controle over zijn bestaan had overgenomen.

Het was wellicht een uur later, terwijl ik nog steeds wachtte en de vellen papier met koortsachtige snelheid werden volgeschreven door de oude kunstenaar, dat ik Etser plotseling zag opspringen alsof hij door een angstaanjagende schok werd getroffen. Ondubbelzinnig richtte hij zijn blik op het met de gordijnen bedekte raam en luisterde gespannen, rillend van spanning. Op dat moment meende ik zelfs een geluid te horen: een diep en ver schrapend geluid, alsof een kunstenaar aan het werk was in een van de nabijgelegen huizen, of in een of ander onderkomen achter de hoge muur waar ik nooit overheen kon kijken. Het effect op Etser moet verontrustend zijn geweest, want hij sprong op, greep zijn potlood nog krachtiger vast en sperde zijn ogen wijd open. Met vastberadenheid stelde hij zichzelf op en het leek bijna alsof de inspiratie bezeten uit zijn ogen spoot. Toen hij de eerste lijnen op papier zette, besefte ik een verandering in zijn streken – een verandering die me voor het eerst deed beseffen dat ik hem beschouwde als een gevangene van de hel.

Luider en luider, wilder en wilder, steeg het gekras en het gehuil van die wanhopige tekenaar. De kunstenaar was doordrenkt van een onheilspellend zweet en kronkelde als een aap, altijd wild om zich heen kijkend naar het gordijn bedekte raam. In zijn razende tonen van loodhardheden kon ik bijna schaduwachtige saters en bacchanalen zien dansen en tollen in waanzin door kolkende afgronden van wolken, rook en bliksem. En toen meende ik een schrillere, standvastiger gekras te horen die niet van zijn potlood afkomstig was, maar van een steunende, doelbewuste en spottende dreun ver weg in het westen. Een streek van een potlood dat zó luid klonk dat het hele atelier erdoor moest schudden.
Op dit moment begon het luik te rammelen in een huilende nachtwind die buiten was opgestoken, alsof het antwoord gaf op het gekke spel binnen. Etsers potlood overtrof zichzelf nu en begon een gekras uit te stoten waarvan ik nooit gedacht had dat een potlood deze kon voortbrengen. Het krassen van nagels op een schoolbord was er niets bij. Het luik rammelde luider, ontgrendelde en begon tegen het raam te slaan. Toen brak het glas huiverend onder de aanhoudende slagen, en de koude wind stroomde naar binnen, waardoor de kaarsen sputterden en de vellen papier op tafel ritselden waar Etser begonnen was zijn afschuwelijke geheim op te schrijven. Ik keek naar Etser en zag dat hij zijn bewustzijn voorbij was. Zijn blauwe ogen puilden uit, stonden glazig en blind, en het wanhopige tekenen was veranderd in een blinde, mechanische, onherkenbare orgie van lood.

Een plotselinge windvlaag, sterker dan de andere, greep de manuscripten van Etser en droeg het naar het raam. Ik volgde de vliegende vellen in kwanhoop, maar ze waren verdwenen voordat ik de vernielde ruiten bereikte. Toen herinnerde ik me mijn eerdere wens om uit dit raam te kijken, het enige raam in de Boonenstraat van waaruit men de helling kon zien en de uitgestrekte stad in de diepte. Het was erg donker, maar de lichten van de stad brandden altijd, en ik verwachtte ze daar te zien te midden van regen en wind. Maar toen ik vanuit dat hoogste van alle zolder ramen keek, terwijl de kaarsen sputterden en het waanzinnige potlood huilde met de nachtwind, zag ik geen stad onder me uitgespreid, en geen vriendelijke lichten die glansden vanaf de straten. In plaats daarvan strekte er zich een duisternis van oneindige ruimte voor mij uit; een onvoorstelbare ruimte vol beweging en een maalstorm van potloodstreken, en zonder enige gelijkenis met iets op aarde. En terwijl ik daar stond te kijken van schrik, blies de wind beide kaarsen uit in die oude spitse zolder, waardoor ik achterbleef in wilde en ondoordringbare duisternis met chaos en pandemonium voor me, en de demonische waanzin van die nachtbrakende kunstenaar achter mij.
Ik wankelde terug in het donker, zonder middelen om een licht te maken, botste tegen de tafel, gooide een stoel om, en zocht uiteindelijk mijn weg naar de plek waar de duisternis schreeuwde met angstaanjagend schrapend lood. Om mezelf en Schubert Etser te redden, kon ik op zijn minst iets proberen, ondanks de machten die tegen me waren. Plotseling voelde ik iets kouds langs me strijken en schreeuwde ik het uit, maar mijn kreet ging verloren in het geluid van de helse symfonie. Uit de duisternis werd ik plotseling aangevallen door een horde woeste potloden die mij verwondden als een zwerm wespen. Ik wist dat ik nu dicht bij de kunstenaar moest zijn. Ik tastte voorzichtig naar voren, vond de rugleuning van Etsers stoel en schudde wild aan zijn schouder in een poging hem tot bezinning te brengen.
Hij gaf geen antwoord, en nog steeds schreeuwde zijn potlood onverminderd voort. Ik legde mijn hand op zijn hoofd en schreeuwde in zijn oor dat we beiden moesten vluchten voor de onbekende dreiging van de nacht. Maar hij gaf geen gehoor en bleef doorgaan met zijn onbeheersbare krabbels, terwijl vreemde winden door de zolder leken te waaien en het tumult zich verspreidde. Toen mijn hand zijn oor raakte, voelde ik een huivering, hoewel ik niet begreep waarom – tot ik het koude, verstijfde, ademloze gezicht voelde; levenloos overgeleverd aan de leegte. En toen, door een of ander wonder de deur en de grote houten grendel vindend, stortte ik wild weg van de glazig starende oude man in het donker, en van het spookachtige gehuil van het vervloekte potlood waarvan de woede alleen maar toenam terwijl ik wegstoof.
Vluchtend als een bezetene over die eindeloze trappen door het donkere huis; stortte ik bijna naar beneden, rennend de smalle, steile en oude straat op met trappen en wankelende huizen; ratelend over trappen en over kasseien naar de lagere straten en de stinkende kloofachtige rivier; hijgend over de grote donkere brug naar de bredere, gezondere straten en boulevards die we kennen.

Ik herinner me dat er geen wind was.

Dat de maan scheen.

En dat alle lichten van Gohes City twinkelden.

Nooit van mijn leven heb ik sindsdien nog een potlood aangeraakt.

By kornelisoflook | April 8, 2024 - 1:19 pm - Posted in Algemeen, Duimzuigerij, Galbakkerij, Nederlands

Daar zit ik dan, gewapend met niets anders dan een eenvoudige zakdoek. Maar vergis je niet, dit is geen gewone zakdoek. Dit is mijn gereedschap, mijn wapen in de eeuwige strijd tegen de krachten van snot en slijm die zich diep in mijn neus hebben genesteld. Ik draai de punt van de zakdoek in een strak puntje, als een krijger die zijn zwaard slijpt voor de strijd.

Het is tijd voor de snotboor.

De eerste duik in de duisternis van mijn neus voelt als een expeditie naar onbekende diepten. De weerstand is voelbaar, alsof ik probeer door dichte mist te navigeren. Maar ik geef niet op. Met vastberadenheid en een vleugje weerzin duw ik het puntje van mijn zakdoek dieper en dieper, als een ontdekkingsreiziger die zijn weg baant door dichte jungle van neusharen die volhangen met opgedroogde bloedkorsten en snot. De weerzinwekkende geur van verrotting en oud slijm dringt mijn neusgaten binnen, maar ik zet door, gedreven door een onverzettelijke drang naar reiniging.
En dan, een doorbraak. Ik raak een bron van slijm aan – een kleverig, geelgroen donker goedje dat zich heeft verzameld in de verste hoeken van mijn neusholte. Voor de een is het weerzinwekkend, maar tegelijkertijd voor mij uitermate bevredigend. Met een mengeling van opwinding en triomf begin ik te graven, als een archeoloog die een kostbare schat opgraaft. De strakke punt van mijn zakdoek haalt uit naar de kliederige stalagmieten van neusafscheiding. Mijn hand schuift heen en weer, steeds dieper de duisternis van mijn neusgaten in, terwijl ik het slijm wegduw en het gevoel van verlossing voel opborrelen.
Het slijm geeft niet gemakkelijk toe. Het klampt zich vast aan de wanden van mijn neus alsof het zijn laatste verdedigingslinie is. Maar ik ben vastbesloten om te zegevieren. Met krachtige bewegingen draai ik het puntje van mijn zakdoek rond, als een boor die door harde grond dringt. Een niesprikkel dringt zich aan, maar ik weet de boel te sussen en baan mij moedig een weg door de verzameling brokken en slierten. Soms voel ik kleine korstjes van uitgedroogd slijm tegen mijn zakdoek schuren, maar ik laat me er niet door tegenhouden. Dit is een gevecht dat ik moet winnen, koste wat het kost.
En dan, eindelijk, een doorbraak. Ik voel een golf van opluchting als het slijm loslaat en zich vastklampt aan mijn zakdoek. Daar is dan het moment van triomf, een overwinning over de krachten van de natuur. Het snot overwonnen!
Maar laten we eerlijk zijn, de snotboor is niet voor iedereen een prettige ervaring. Het is – en dat moet ik toegeven – een smerige en soms zelfs pijnlijke handeling. Oh, heerlijk! Om je vingers bij …! Soms raak ik vast in de wirwar van slijm en moet ik met moeite terugtrekken, als een strijder die gewond is geraakt op het slagveld. En dan is er nog het risico op bloed. Ja, bloed. Want laten we niet vergeten dat de neusholte een kwetsbare plek is. De neusvleugels, maar ook het neusschot, vol met fragiele bloedvaten die gemakkelijk kunnen scheuren bij teveel geweld.
Maar ondanks al deze ontberingen, blijf ik trouw aan de snotboor. Waarom? Omdat ik geloof in de kracht van een schone neus. Een schone neus betekent een heldere ademhaling, een versterkt reukvermogen en een algeheel gevoel van welzijn. Het is alsof je een verstopte snelweg vrijmaakt, waardoor de lucht vrij kan stromen en je geest helder blijft.
Bovendien is er iets bevredigends aan het verwijderen van al dat slijm. Het is alsof je jezelf bevrijdt van een last die je zonder het te weten met je meedraagt. En laten we eerlijk zijn, er is niets bevredigender dan het gevoel van opluchting dat volgt op een succesvolle snotboor.
Maar laten we eens een stap terug doen en de alternatieven overwegen. Het in je neus peuteren met je vinger kan nog steeds als een alternatief worden beschouwd, maar bedenk je wel goed waar je vinger is geweest voordat je deze in je neus of mond stopte. Het is een riskante onderneming, een die gevaren met zich meebrengt die verder gaan dan alleen het risico op snot en slijm. Want laten we eerlijk zijn, onze handen zijn zelden zo schoon als we zouden willen geloven.
Dus ja, de snotboor mag dan voor sommigen wel een onaangename handeling zijn, maar voor mij is het een essentieel onderdeel van mijn dagelijkse hygiëneroutine. Het is een ritueel dat me in staat stelt om de strijd aan te gaan met de krachten van de natuur, om mijn neus te zuiveren van alles wat haar belemmert om op volle kracht te kunnen functioneren. En hoewel het misschien niet voor iedereen is weggelegd, zal ik altijd trouw blijven aan mijn geliefde snotboor. Want soms, heel soms, is een beetje ongemak de prijs die we moeten betalen voor een frisse neus en een heldere geest.

By retroman | September 29, 2023 - 10:46 pm - Posted in Duimzuigerij, Nederlands, Schrijfwedstrijden

‘Inspecteur, dit is nu al de derde in, eh…’ stamelde de assistent terwijl hij een flinterdun, ovaalvormig voorwerp uit zijn holster haalde. Hij liet zijn wijsvinger over het doorzichtige object glijden, waarna er een schril piepje klonk en een driedimensionaal hologram, bestaande uit een reeks symbolen, uit het apparaat rees.
‘… exact twee weken.’
De inspecteur zuchtte. Hij knielde en wierp een blik op het doorweekte lichaam dat voor zijn voeten lag. Twee grote, glazige ogen staarden hem aan. Uit de half open mond sijpelden geleidelijk wat druppels, terwijl er onder de rechterwang, die in het vers gemaaide gras rustte, een stel mieren vandaan kwam gekropen.
‘Zelfde werkwijze?’
‘Yep. De dader lag in de gracht op de loer en greep het slachtoffer bij z’n enkels toen deze voorbij liep. Vervolgens sleurde hij de stakker met een behoorlijke kracht de diepte in en bracht hem na een korte worsteling door verdrinking om het leven.’
‘Dader weer spoorloos zeker?’
De assistent tikte een paar keer op het platte instrument en er verscheen vrijwel direct een holografische opname, waarin in vogelperspectief een gedeelte van de gracht was te zien. Hij hurkte naast de inspecteur en strekte zijn arm uit om hem de beelden te tonen.
‘In de hoop op een glimp van de moordenaar was ik kort na het misdrijf in mijn zweefkar gestapt om scans van de omgeving te maken. Geen match helaas.’
De inspecteur wendde zijn blik van de overledene af en bekeek het hologram vluchtig, waarna hij iets onverstaanbaars mompelde en zijn aandacht al snel weer vestigde op het slachtoffer. De assistent rolde zo onopvallend als hij kon met z’n ogen, schakelde het toestel uit en stopte het weer terug in zijn holster.
‘Niks gestolen?’ vroeg zijn veel oudere collega na een poos.
‘Nee, zijn digibeurs, identichip en holoplaat waren onaangeroerd. Dit was geen roof, maar een brute, zinloze moord. Net als de vorige twee.’
Ondertussen zigzagde een bromvlieg nerveus rond het hoofd van de overledene. Geërgerd maakte de inspecteur wat slaande bewegingen naar het insect, waarop het vlug de biezen pakte.
‘Vertel me alsjeblieft dat we deze keer wél een bruikbare getuige hebben’, zei hij nors. De vermoeidheid was van zijn fletse gezicht af te lezen.
‘Er is vooralsnog één ooggetuige, maar die stond te ver om de dader te kunnen identificeren en was angstig op de vlucht geslagen toen het slachtoffer te water raakte.’
De inspecteur schudde zijn hoofd.

Er volgde een lange stilte. Het laatste restant van de nacht werd stukje bij beetje opgeslokt door de ochtendzon, en er kwam steeds meer volk op de been. Hoewel het aantal toeschouwers gestaag groeide, werden degenen die in de buurt van het plaats delict trachtten te komen op gepaste afstand gehouden door zowel een team agenten als een provisorische barrière van hekken. De wind was gaan liggen, waardoor zelfs het serene geritsel van takken en bladeren werd opgeschort. Het tafereel leek zich nu haast af te spelen in een vacuüm. Voordat men echter de kans kreeg om gewend te raken aan de stilte, werd deze prompt verbroken door een groene wolk halsbandparkieten die luid kwetterend over het gebied trok.
‘Vliegende ratten’, gromde de inspecteur. Hij stond langzaam op, stak zijn handen in zijn zakken en kuierde naar de kade, alwaar hij diep in gedachten verzonken uitkeek over het kalme water van de plek die in een ver verleden de Admiralengracht werd genoemd, en heden bekend stond als Domein 1-7-6. Het was nauwelijks te bevatten dat dit schilderachtige oord luttele momenten geleden het toneel was van een gruwelijk misdrijf.
‘Inspecteur?’ vroeg de assistent voorzichtig. Zijn stem klonk bijna kinderlijk.
‘Hmm?’ antwoordde de inspecteur, nog half gevangen in zijn gedachten.
‘Wie, of… wat, kan dit gedaan hebben?’
De inspecteur, die met zijn rug naar zijn collega stond, haalde laconiek zijn schouders op.
‘In de pers’, ging de assistent verder, ‘wordt gesproken over een monster. Ze hebben hem zelfs een naam gegeven: de Bullebak.’
Verbazing, ongeloof en ergernis kwamen bijeen om een zonderlinge grimas te vormen op het gezicht van de inspecteur.
‘Pardon?’ ontsnapte aan zijn lippen, zonder dat hij mentaal gereed was voor de verklaring die zou volgen.
‘Het schijnt een soort gedrocht te zijn dat zich in de grachten schuilhoudt. Omdat hij heeft moeten toezien hoe wij het land hebben veroverd en zijn soortgenoten de verdoemenis in hebben geholpen, wil hij koste wat kost voorkomen dat wij ook heer en meester worden over het water. Daarom straft hij iedereen die zijn territorium poogt te benaderen.’
De inspecteur draaide zich om en stond nu lijnrecht tegenover zijn assistent. Hij was geenszins van plan deze belachelijke conversatie voort te zetten.
‘Wat een nonsens. Heb je ze wel allemaal op een rijtje?’
‘Maar stel nu eens dat het echt waa-’
‘Zeg, is er al een volledige scan gemaakt van het slachtoffer?’ interrumpeerde de inspecteur bruusk.
‘Oh, eh… nee, nog niet’, antwoordde zijn jonge ambtgenoot beduusd. ‘Zal ik het d-’
‘Laat mij maar’, onderbrak de inspecteur weer, terwijl hij zijn hand uitstak naar zijn ondergeschikte. ‘Geef me je holoplaat.’
In zijn gretigheid om het apparaat uit zijn holster te halen, liet de assistent het bijna vallen. Met het schaamrood op de kaken overhandigde hij het ding aan zijn superieur, die het met een afkeurende blik in ontvangst nam.
‘Met sprookjes lezen kom je niet ver in dit vak’, beet hij zijn assistent toe.

Ondanks het feit dat de oude inspecteur fragiel oogde en klein van stuk was, straalde hij nog steeds gezag uit. Zijn minder bedreven collega daarentegen was vooral afhankelijk van zijn gepantserde rode uniform en wapenstok om respect af te dwingen. Dit was zo’n situatie waarin het verschil in ervaring tussen de twee evident was. De assistent was zichtbaar van zijn stuk gebracht door de opmerking van zijn superieur, die deze zaak graag wilde oplossen zonder daarbij gehinderd te worden door bespottelijke verzinsels. Toch besloot de benjamin van het stel het hier niet bij te laten.
‘Mag ik u iets vragen?’ probeerde hij.
‘Zie je dan niet dat ik bezig ben?’ reageerde de inspecteur bokkig. ‘Zodra ik deze scan heb afgerond krijg je je holoplaat terug en dan kun je er weer zo veel fabeltjes op lezen als je wilt.’
De inspecteur stond over het slachtoffer gebogen en hield het apparaat in de breedte aan beide uiteinden vast, terwijl hij er in een rap tempo met zijn duimen op trommelde. Na verloop van tijd kwam er een tjirpend geluid uit het object. Vervolgens gebaarde de inspecteur naar een collega achter het hek dat het lijk meegenomen kon worden.
‘Zo,’ sprak hij op een wat minder venijnige toon, ‘wat wilde je precies weten?’
‘U heeft De Grote Uittocht toch meegemaakt?’
Op die vraag had de inspecteur niet gerekend. Hij werd er even stil van.
‘Dat was lang geleden, knul’, zei hij uiteindelijk. ‘Ik was toen half zo oud als jij.’
‘Wat kunt u zich er nog van herinneren?’
‘We waren alles kwijtgeraakt in de oorlog, dus er restte ons niets anders dan te emigreren. Na een lange, slopende reis besloten wij ons hier te vestigen. Helaas werden we niet bepaald met open armen ontvangen.’
‘Er volgde een felle strijd, nietwaar?’
‘Dat klopt. Was je nog van plan om een punt te maken, of had je een carrièreswitch tot geschiedenisleraar voor ogen?’
Er verscheen een brede grijns op het gezicht van de assistent. Ondertussen waren een aantal collega’s gearriveerd om het plaats delict op te ruimen, waarop het duo besloot om aan de drukte te ontsnappen en hun conversatie voort te zetten gedurende een wandeling langs de vele grachten van de oude stad.
‘Had het conflict niet op een andere manier opgelost kunnen worden?’
‘Nee’, antwoordde de inspecteur resoluut. ‘Het was een wreed en gevaarlijk volk. Wij hadden geprobeerd ze de eigenschappen te tonen die we gemeen hadden, maar zij konden alleen de verschillen zien.’
‘Bullebakken dus?’ zei de assistent met een twinkeling in z’n ogen.
‘Begin je nu weer met die waanideeën?’ snauwde de oude rot. ‘Je stelt me werkelijk teleur, knaap.’
‘Het was maar een suggestie’, antwoordde zijn collega een tikje verontwaardigd.
‘Ik heb ook een suggestie’, bromde de inspecteur. ‘Ga naar huis en denk even niet aan deze zaak. Het heeft duidelijk een negatief effect op je geestesgesteldheid.’
Voordat de assistent de kans kreeg om weer met zijn ogen te rollen, legde de inspecteur een gerimpelde hand op zijn schouder om te laten zien dat hij het allemaal niet zo kwaad had bedoeld. De twee glimlachten kort naar elkaar en namen aansluitend afscheid met een eerbiedig knikje. De assistent vervolgde zijn weg langs de grachten, terwijl zijn collega op een bankje aan het water ging zitten.

Uren gingen voorbij. De inspecteur genoot met gesloten ogen van de rust die deze plek hem verschafte en mijmerde wat over de gebeurtenissen die zich die ochtend hadden voltrokken. Toen hij terugdacht aan zijn naïeve collega en diens idiote verhaal over de Bullebak werd de drang om te gniffelen groot. Een snerpend geluid deed hem echter plotseling uit zijn roes ontwaken.
‘Die verdomde holoplaat!’ vloekte de inspecteur.
Zo snel hij kon graaide hij het ding uit zijn jaszak. Hij nam het zichzelf erg kwalijk dat hij was vergeten om het instrument aan zijn assistent terug te gegeven, zeker nu de resultaten van de scan uit het apparaat begonnen te rollen en er niemand in de buurt was om deze data te verwerken. Er zat niks anders op dan naar het bureau af te reizen om deze gegevens aan zijn collega’s over te dragen, maar hij kon het niet laten om er eerst zelf nog even een blik op te werpen. Opgelucht haalde hij adem toen hij concludeerde dat er een belangrijke aanwijzing omtrent de dader naar boven was gekomen, maar ergens was hij stiekem een beetje teleurgesteld dat de legende van de Bullebak inderdaad niets meer was dan een verzinsel.

De inspecteur stond op van het bankje, strompelde naar de kade en keek naar zijn reflectie in het water. Hij probeerde zich te verplaatsen in de oorspronkelijke bewoners van deze planeet, die hem zo hadden verafschuwd vanwege zijn staart, zijn hoorns en zijn paarse, geschubde huid. Zij zouden zijn volk nooit een tweede kans hebben gegeven. Hij vroeg zich af of hij daar andersom wel toe in staat zou zijn geweest.

By tinusicket | August 30, 2023 - 9:16 am - Posted in Algemeen, Duimzuigerij, Nederlands

Eens, in een verre digitale wereld genaamd Cyberlandia, was er een beruchte kwaadaardige inlogcode genaamd “B3w4r3M3”. Deze code had de reputatie om zichzelf in de meest onverwachte situaties te laten zien en chaos te veroorzaken.

Op een dag besloot een nietsvermoedende programmeur genaamd Pieter Hishing een nieuw beveiligingssysteem te implementeren voor zijn meest waardevolle virtuele schat: een verzameling van ‘s werelds beste kattenfilmpjes. Hij voelde zich trots terwijl hij zijn vingers over het toetsenbord liet dansen en de beveiligingsregels intypte. Toen hij bij het aanmaken van een ogenschijnlijk onschuldige inlogcode kwam, grinnikte het systeem stilletjes en voegde automatisch “B3w4r3M3” toe als standaardcode.

Zonder het te weten had Pieter zojuist het digitale equivalent van een stelletje katten in een viswinkel losgelaten. “B3w4r3M3” begon meteen zijn streken. Het begon onschuldig: kattenemoji’s werden willekeurig in zijn code geplaatst, terwijl het beeldscherm af en toe miauweffecten liet horen. Maar al snel werden de gevolgen ernstiger. De code begon het beveiligingssysteem te saboteren, waardoor virtuele katten rondrenden en de gegevens van Pieter in kattenplaatjes werden veranderd.

Pieter krabde zich in het haar, terwijl hij worstelde met de plotselinge kattige beestenbende die zijn systeem had overgenomen. Uiteindelijk, na een nacht van wanhopig typen en kattenkwaad, besefte Pieter dat “B3w4r3M3” de bron van al zijn problemen was. Met een gefrustreerde zucht en een lichte glimlach op zijn gezicht, typte hij de magische woorden om de code te neutraliseren: “PurrfectS0luti0n”.
Kat in het bakkie!

Direct daarna werd de chaos gestopt. De virtuele katten verdwenen, de miauweffecten zwegen en de rust keerde terug in Cyberlandia. Pieter had geleerd dat je altijd voorzichtig moet zijn met inlogcodes – zelfs als ze een eigenaardig gevoel voor humor hebben.

En zo eindigt het verhaal van “B3w4r3M3”, de kwaadaardige inlogcode die meer van katten hield dan van chaos, en van Pieter, de programmeur die een les leerde over het belang van veiligheid en een goede dosis humor in de wereld van bits en bytes.

By rinaoddel | June 23, 2022 - 4:17 pm - Posted in Gevleugelde Uitspraken

Uitgesproken door: Belgische leverancier

Datum: donderdag 23 juni2022